23-07-08

Het realisme van Obama

Barack Obama wordt door critici een naïeve idealist genoemd. Maar wat het buitenlandse beleid betreft is hij van de presidents- kandidaten de meest realistische, vindt Fareed Zakaria.

De kritiek op Barack Obama is, althans wat zijn buitenlandse politiek betreft, dat hij een halfzachte idealist is die de vijanden van Amerika denkt te kunnen bezweren. John McCain en zijn campagnestaf, conservatieve columnisten en rechtse bloggers schilderen een beeld van een linkse dromer die de gevaren van de wereld wegwenst. Zelfs president Bush mengde zich eerder dit jaar in de strijd door Obama’s bereidheid om met tirannen te praten als naïef te veroordelen. Sommige commentators doen alsof Obama, die deze week het Midden-Oosten en Europa bezoekt, ruw zal worden wakker geschud.

Maar deze kritiek is niet terecht. In de campagne tegen Hillary Clinton en nu ook tegen McCain heeft Obama zijn ideeën over buitenlandse politiek steeds verder uitgewerkt. Daaruit komt een wereldbeeld naar voren dat zeker niet typisch links is, maar dicht bij dat van een traditionele realist ligt.

Geen enkele presidentskandidaat heeft ooit beweerd een doctrinair wereldbeeld te hebben. Richard Nixon heeft nooit gezegd dat hij van Realpolitik hield. Jimmy Carter heeft nooit beweerd dat hij een navolger van Woodrow Wilson was. Het is nadelig om in een hokje te worden geplaatst en de meeste politici en beleidsmakers zeggen slim dat ze het beste van alle tradities willen combineren. Dus noemt John McCain zich een „realistisch idealist”. Voormalig nationale-veiligheidsadviseur Anthony Lake, nu adviseur van Obama, noemt zich een „pragmatisch neo-Wilsoniaan”. Minister Condoleezza Rice van Buitenlandse Zaken omschrijft zichzelf als „Amerikaans realist”.

Obama spreekt zelden op de moralistische toon van de regering-Bush. Hij verdeelt de wereld niet in goed en kwaad, ook niet als hij over terrorisme praat. Hij beschouwt landen en zelfs extremistische groepen als complex en evenzeer gedreven door macht, hebzucht en angst, als door pure ideologie. Zijn belangstelling voor diplomatie lijkt ingegeven door het besef dat we landen en bewegingen kunnen leren kennen en mogelijk uit elkaar kunnen spelen en beïnvloeden, juist omdat het geen monolieten zijn. Toen ik bijvoorbeeld met hem over het islamitisch extremisme sprak, beklemtoonde hij herhaaldelijk de diversiteit binnen de islamitische wereld en sprak hij over Arabieren, Perzen, Afrikanen, Zuidoost-Aziaten, sjiïeten en soennieten, die allemaal hun eigen belangen en agenda’s hebben.

Obama gebruikt nooit de hoogdravende woorden van Bush’ vrijheidsagenda. Hij praat liever over de verbetering van de economische vooruitzichten van mensen, het maatschappelijke middenveld en – zijn sleutelwoord – ‘waardigheid’. Hij verwerpt de geobsedeerdheid van Bush met verkiezingen en politieke rechten. Volgens hem zijn de aspiraties van mensen breder – ook voedsel, huisvesting en werk. „Zodra die aspiraties worden vervuld”, zei hij tegen James Traub van The New York Times, „opent dit ruimte voor het soort democratische regimes dat wij willen.” Dat is een organische en geleidelijke opvatting van democratische ontwikkeling, die meestal door conservatieven wordt gehuldigd.

Obama spreekt met bewondering over mensen als Dean Acheson, George Kennan en Reinhold Niebuhr, die allemaal doordrongen waren van de grenzen van het idealisme en het Amerikaanse vermogen om de wereld te veranderen. „In zijn kijk op de geschiedenis, in zijn eerbied voor traditie, in zijn scepsis dat de wereld alleen maar heel, heel langzaam kan worden veranderd, is Obama uiterst conservatief,” schreef de New Yorker in een profiel van hem. „Er zijn momenten dat hij bijna als een Burke-aanhanger klinkt. Hij wantrouwt abstracties, generalisaties, extrapolaties, projecties. Hij beschouwt revoluties niet alleen als onwaarschijnlijk: hij waardeert continuïteit en stabiliteit als zodanig, soms zelfs meer dan hij verandering ten goede waardeert.”

Even belangrijk is wat Obama níét zegt. Zo vermijdt hij opgelegde goedkope uithalen naar Bush. Hij zou hem kunnen verwijten dat hij de Chinese dictatuur naar de mond praat, hem kunnen aansporen de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Peking te boycotten, of kritiek kunnen hebben op zijn laksheid in Darfur. Maar bij deze thema’s is Obama omzichtig, zonder grote woorden of overdreven beloften.

Veelzeggend is zijn opvatting van de Amerikaanse nationale belangen als het gaat om Irak. Ondanks de vooruitgang daar, ondanks de mogelijkheid om een democratie te vestigen in het hart van de Arabische wereld, is Obama’s standpunt onwrikbaar – Irak is bijzaak, en hoe eerder Amerika zijn kwetsbaarheid daar kan verminderen, hoe beter. Ik zou willen dat hij iets sympathieker stond tegenover het idee dat een democratisch Irak een positieve rol in de strijd tegen islamitisch extremisme zou spelen. Maar zijn opvatting richt zich op de wezenlijke belangen van de Amerikaanse veiligheid en is herkenbaar realistisch. Walter Lippmann en George Kennan huldigden vanaf het midden van de jaren zestig vergelijkbare stellingen over Vietnam.

Paradoxaal genoeg lijken de Republikeinen nu de idealisten in de buitenlandse politiek, door landen als goed of kwaad te bestempelen, geen zaken met foute regimes te willen doen, vast te houden aan de verspreiding van democratie over de hele wereld, en te weigeren in historischer en complexer termen te denken. „Ik doe niet aan nuance”, zei George W. Bush vaak tegen bezoekers van het Witte Huis in de jaren na 11 september 2001. John McCain was het niet altijd met Bush eens, maar wel over deze algemene beleidslijn. Hij kwam dan ook met fantasierijke plannen: Amerika zou een ‘Bond van Democratieën’ moeten oprichten, Rusland uit de G8 moeten zetten en ook China van beide groepen moeten uitsluiten.

Obama’s antwoord op deze suggesties zou kunnen zijn geschreven door realisten als Henry Kissinger of Brent Scowcroft. We moeten met beide landen samenwerken om grote mondiale problemen op te lossen, vertelde hij me. Zo wil hij met Rusland praten over de verspreiding van kernwapens en met China over economische problemen. Het verschil met McCain op dit punt is belangrijk. De grootste strategische uitdaging voor de VS in de komende decennia is de opkomende wereldmachten belanghebbende te maken bij de economische en politieke wereldorde. Rusland en China zullen de meeste problemen geven, omdat ze zo groot zijn en de wereld politiek en ideologisch anders benaderen. Maar zonder enige vorm van samenwerken tussen de grote mogendheden wordt het vooruitzicht op vrede en stabiliteit in de wereld een stuk slechter.

Zowel Obama als McCain mengen vanzelfsprekend realisme en idealisme, zoals Amerikaanse politici steeds hebben gedaan – en terecht. Een onpraktisch buitenlands beleid zal mislukken, en een beleid zonder idealen is de VS onwaardig. Iedereen kiest daarin zijn eigen balans, en Obama lijkt – ongebruikelijk voor een hedendaagse Democraat – veel respect te hebben voor de realistische traditie. McCain, ongebruikelijk voor een traditionele Republikein, kijkt in moralistische termen naar de wereld.

Uiteindelijk kan vooral het verschil in temperament tussen Obama en McCain de doorslag geven. McCain is een pessimist en beschouwt de wereld als een gevaarlijke plaats waar het kwaad zal zegevieren als de Amerikanen niet voortdurend hun kracht laten gelden. In de ogen van Obama gaat de wereld juist in veel opzichten de kant van de VS op. Landen die zich ontwikkelen worden moderner en gaan deel uitmaken van het internationale economische en politieke bestel. Landen als Iran en Noord-Korea ziet hij als de laatste die het tij van de geschiedenis weerstaan. Het is de taak van Amerika deze vooruitgang te stimuleren, vooral met soft power, en te proberen met andere wereldmachten de grote wereldproblemen op te lossen. Noem hem een optimistische realist, of een realistische optimist. Maar noem hem niet naïef.

22:30 Gepost in Algemeen | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.